Het stigma van HIV
Het stigma van HIV
Ze heeft een sappig Amsterdams accent. Woont in een van de westelijke tuinsteden te midden van de talrijke gastarbeiders. Begin vijftig is ze. En ze loopt rond met een geheim: ze heeft HIV. Opgelopen van haar partner. Ze wonen niet meer samen. Hij is terug naar zijn eigen land. En daar moet ie maar blijven, vindt ze. Hij zoekt wel eens contact. Maar dan neemt ze de telefoon niet op. Handig zo’n nummerherkenning, zegt ze. Ze vindt het moeilijk om in haar kennissenkring over haar status te praten. Voor je het weet, kletsen ze over je. Een vrouwtje in de buurt, aan wie ze het had verteld, gaf haar opeens geen hand meer. ‘We bellen’, had die gezegd. Daarna had ze niets meer gehoord. En de familie? Na de dood van haar moeder, vader was al overleden toen ze vijftien was, had ze een broer en een zus in vertrouwen genomen. Want stel dat ze zou komen te overlijden, wie zou dan voor haar dochter zorgen? De broer vond dat ze eerst maar een bankrekening op de naam van het kind moest openen.
Ze gaat wel eens naar een lotgenotengroep in een andere stad. Hier durft ze dat niet. ‘Je kan het aan m’n gezicht niet zien, toch? Andere vrouwtjes hebben zo’n ingevallen bekkie. Ik krijg meer vet op m’n schouders en bovenarmen. Maar verder zie je niks aan me. Toch?
Ik kan bij de Riagg niet praten. Mag ik bij jou terugkomen? En krijg ik dan weer een uur?’